Een enorme amandelvormige vlek, bijna half zo groot als Frankrijk, kleurt Centraal-Azië. Het is de Taklamakan, een geduchte zandwoestijn. Drie imposante bergketens, stuk voor stuk meer dan zevenduizend meter hoog, houden haar als een hoefijzer in hun greep – de Tiensjan, de Pamir en de Kunlun. Wie zich in deze woestijn waagt, keert nooit meer terug, als je de lokale Oeigoeren mag geloven.

Toch verzamelt zich hier en daar aan de rand van die woestijn voldoende water uit de bergen om permanente bewoning mogelijk te maken. Zo zijn vruchtbare oases ontstaan die de barre woestijn als een snoer van groene parels omgorden. Handelskaravanen die dit gebied willen doorkruisen, gebruiken die oases als etappeplaatsen op hun tocht.

Helemaal in het westen, waar de Taklamakan tegen de Pamir doodloopt, bevindt zich de grootste van die oases. Kashgar is haar naam. Van hieruit kan je de bergen over – naar het Indische subcontinent of naar West-Azië en vandaar naar het Middellandse Zeegebied. Zijn unieke positie maakt van Kashgar een kruispunt van culturen en een draaischijf tussen oost en west. Dat was deze oasestad al voor het begin van onze tijdrekening. En dat is ze nog steeds.

De Chinese hoofdstad Beijing ligt een heel eind naar het oosten, een karavaan doet er meer dan 100 dagen over. Toch claimen de Chinezen al tweeduizend jaar de soevereiniteit over dit gebied. Lange tijd was dat weinig meer dan een wensdroom, want de Chinese greep op de westelijke provincie Xinjiang was niet al te ferm. Pas in 1755 begon keizer Qianlong werk te maken van een effectieve bezetting. Desalniettemin slaagden de Oeigoeren er zelfs in 1933 nog heel eventjes in om de onafhankelijke republiek Oost-Turkestan uit te roepen. Na 1949 maakte Mao Zedong voorgoed korte metten met de rebellie. De Oeigoeren kwamen steeds meer in de verdrukking. Culturele revolutie, rode gardisten, dwangarbeid, heropvoedingskampen – ze hebben het allemaal meegemaakt.

Een echte natie hebben de Oeigoeren nooit gevormd, in tegenstelling tot andere Turkse volkeren zoals de Kirgiezen, de Oezbeken en de Turkmenen. Maar de vitaliteit van hun cultuur moet niet voor die van hun zustervolkeren onderdoen. In de stoffige steegjes van het oude Kashgar, met zijn leemstenen huizen, houten balkons, bewerkte deurtjes, bruisende straathandel en vestimentaire verscheidenheid waan je je eerder in het oude Perzië, Afghanistan of Tadzjikistan dan in China. Dat The Kite Runner, een film die zich in het Afghaanse Kaboel afspeelt, in Kashgar opgenomen zal worden, is daar een treffende illustratie van.

Momenteel (1998) telt Kashgar ongeveer 310 000 inwoners. Bijna één op vijf zijn Han-Chinezen, hier naartoe gelokt door aantrekkelijke voorwaarden inzake tewerkstelling en huisvesting. De onverholen bedoeling is de Oeigoerse bevolking – net zoals de Tibetaanse overigens – in haar eigen regio tot een minderheid te herleiden. Eind volgend jaar (1999) zal dat beleid in een stroomversnelling komen. Want dan zal Kashgar via de Southern Xinjiang Railway aansluiting krijgen op het Chinese spoorwegnet. Steeds meer Han-Chinezen zullen toestromen. Omstreeks 2015 zullen ze de helft van de plaatselijke bevolking uitmaken en hun cultuur opdringen.

Van alle steden in China is Kashgar de minst Chinese, was de conclusie van Colin Thubron, de Britse schrijver van reisverhalen. Lang zal dat echter niet meer duren.

Jaak Palmans
© 2020
(*) Enkele foto’s dateren van 1992. Deze zijn met een * gemerkt.

Bekijk de fotoreportage (in twee delen)